Goede raad is duur

 

In reality there is no kind of evidence or argument by which one can show that Shakespeare, or any other writer, is ‘good’. Nor is there any way of definitely proving that – for instance – Warwick Deeping is ‘bad’. Ultimately there is no test of literary merit except survival, which is in itself an index to majority opinion.

 

Dit schreef George Orwell in zijn polemische essay Lear, Tolstoy and the Fool (1947). Hij heeft gelijk. Wat maakt een boek goed, wat slecht? En wie bepaalt dat eigenlijk? Zoveel boeken zoveel lezers, zoveel lezers zoveel meningen. Het aanbevelen van een boek in algemene termen als ‘verplichte lectuur’, of ‘dat móet je gelezen hebben’ is dan ook een hachelijke zaak. Want welke lezer spreek je aan?

Als beroepslezer, want zo zie ik mijzelf, lees ik veel en lees ik nauwkeurig. Ik vergelijk, rangschik en herschik, mij bewust van de tijd die onophoudelijk nieuwe titels schrijft. Dat ene boek op de voorste rij in mijn boekenkast staat morgen misschien wel op de achterste. Zo trek ik mijn eigen spoor door de voortdurend veranderende boekenwereld en groeit de literaire bagage die ik met mij meetors gestaag.

Vanwege die rugzak vol boekenkennis raadplegen anderen mij regelmatig. Van leesbevorderende organisaties als Stichting Lezen en Passionate Platform tot het Nederlands Letterenfonds (klik op logo's voor voorbeeldwerk) en de redactie van Een land van waan en wijs, de 'nieuwe' geschiedenis van de Nederlandse jeugdliteratuur. Met Orwell in mijn achterhoofd doe ik dat graag.